<p>Oosterbeker Gijs van der Lee herinnert zich nog veel uit de septemberdagen van 1944. Zijn ouders hadden een kruidenierswinkel aan de Kerkstraat in Renkum. (Foto uit boek: Ruben Timman)</p>

Oosterbeker Gijs van der Lee herinnert zich nog veel uit de septemberdagen van 1944. Zijn ouders hadden een kruidenierswinkel aan de Kerkstraat in Renkum. (Foto uit boek: Ruben Timman)

Verlies twee vrienden vijf jaar na oorlog

Zij die de Operatie Market Garden in en rond Arnhem hebben meegemaakt spreken er nog altijd met veel ontzag over. Vooral wat het op hun verdere leven heeft betekend.

Door Martin Brink

Oosterbeek/Renkum - Neem nu Gijs van der Lee uit Oosterbeek. Hij was vijf jaar toen de oorlog uitbrak en dus negen toen de luchtlandingen plaatsvonden. Hij woonde toen in Renkum waar zijn ouders een kruidenierszaak aan de Kerkstraat hadden.
Over beide zaken spreekt hij uitvoerig in het dit voorjaar verschenen boek ‘De laatste getuigen’, waarin ‘gewone’ Nederlanders vertellen wat voor invloed de oorlog op hun verdere leven heeft gehad. De getuigenissen volgen het verloop van die vijf bezettingsjaren. Gijs van der Lee vult september 1944 in. ‘’Het was voor ons een rampjaar,’’ herinnert hij zich.
Het boek ´De laatste getuigen´ is van de hand van verschillende auteurs en op de markt gebracht door uitgeverij Ark Media in samenwerking met de Evangelische Omroep die na een omroep in het EO-magazine Visie bijna honderd reacties van mensen kreeg die hun verhaal wilden delen. Het zijn de ‘gewone’ herinneringen die de interviews zo waardevol maken. Het gebonden boek telt 176 bladzijden en kost 29,95 euro.

‘Kleine autootjes’

Na de inval hernam het leven zich. Van der Lee: ‘’We woonden achter de winkel. Mijn ouders waren er altijd druk. En zelf ging ik gewoon weer naar mijn christelijke school ‘Laat de kinderkens tot Mij komen. Je zag wel eens Duitse soldaten maar als kind van vijf denk je dat zij gewoon bij de bevolking horen. Nee, die eerste jaren hebben we in Renkum niet zo bar veel gemerkt van de bezetting.’’
Dat wordt anders vanaf zondag 17 september 1944 wanneer ook Renkum wordt meegesleept in de Slag om Arnhem. Van der Lee meldt in zijn verhaal: ‘’Het begon met een enorm gedreun. De hele lucht was vol vliegtuigen en bezaaid met parachutes. Het was een machtig gezicht, geweldig!’’ Hij zag parachutes met daaronder ‘kleine autootjes’ die, naar later bleek, jeeps bleken te zijn. Het werd een complete chaos. ‘’We dachten dat we vrij waren.’’
In het boek: ‘’Ik weet nog goed dat een buurjongen me vertelde dat hij had gezien hoe een Duitse soldaat door een Engelse militair van zijn motor werd geschoten en dood neerviel.’’ Euforie maakte van de bevolking meester omdat gedacht werd dat ze bevrijd waren. Mensen liepen rond met oranje dasjes, sjaaltjes en vlaggetjes. ‘’Je wist gewoon niet wat je meemaakte, het was net een sprookje. Wat hebben we staan juichen! Het is afgelopen, de Duitsers zijn weg!’’ Op het landingsgebied werd niet veel later een grote parachute weggehaald. Daaruit werden onder meer jurkjes gemaakt. Meer Renkumers deden dat.
Maar het was te vroeg gejuicht. ‘’Twee of drie dagen na de luchtlandingen stond ik oog in oog met een enorme Duitse tank in onze straat. Ze parkeerden hem bij de bakkerswinkel van onze buren. We waren doodsbenauwd.’’ De gevluchte Duitse soldaten kwamen terug omdat de Engelsen richting Arnhem trokken. De burgers zaten nu tussen strijdende partijen. De geallieerden bestookten vanaf de Betuwe Duitse posities. ‘’’s Nachts hoorde ik vaak mortieren over ons heen vliegen.’’ Op zaterdag 30 september moest ook Renkum evacueren, net als de gehele zuidzoom. De Van der Lee’s liepen richting de Klomp om onderdak te vinden bij familie in Scherpenzeel aan de Vieterweg. Het was bij een oudere, vrijgezelle neef en zijn ongetrouwde zussen. Ze zouden daar tot aan de bevrijding blijven.
Aan voedsel was daar geen gebrek. ‘’Ze hadden een fret. Tussen Scherpenzeel en Veenendaal lagen veel loopgraven. Die waren overdag meestal onbewaakt. Er zaten holen in. In het ene gat lieten we de fret los en met juten zakken dichtten we het andere. Zo vingen we er heel wat. Elke week aten we wel konijn of haas.’’ Er zijn nog veel meer herinneringen die Gijs beschrijft: Duitsers die de woning van een verzetsman in brand staken en de actie van zijn vader die zijn gevorderde fiets terugnam die naast het gemeentehuis stond.
In oktober 1950 maakte hij nog iets vreselijks mee: een tankmijn - aangezien voor een broodtrommel - in de uiterwaarden tegenover het Renkumse klooster, ontplofte toen jongens ‘m vonden. Vriend Jaap was op slag dood, Herman was zwaargewond en overleed diezelfde avond in het ziekenhuis in Arnhem. Vriend Joop verloor een onderbeen. Gijs raakte door een scherf ´slechts´wat tenen kwijt. Dat allemaal vijf jaar na de oorlog...

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden